Waarom deze gids
Een offerte van een dakdekker zit vol vakjargon. 'Nokvorst', 'panlat', 'loodslabbe', 'EPDM', 'gording', 'tengels': voor de leek klinkt het als geheimtaal. En dat is een probleem: wie de termen niet snapt kan offertes niet vergelijken, weet niet of het werk klopt, kan niet checken wat er gefactureerd wordt.
We krijgen geregeld de vraag 'wat staat er nu eigenlijk in mijn offerte?' van mensen die door een ander bedrijf een rapport hebben gekregen. Daarom deze gids: de termen die je het vaakst tegenkomt op een dakofferte, in gewone taal uitgelegd.
Tip: gebruik Ctrl-F (computer) of de zoekfunctie (mobiel) om naar een specifieke term te zoeken.
Termen rond het dak zelf
Nok: de bovenste horizontale lijn van het dak waar twee dakvlakken samenkomen. Bij een schuin dak meestal de hoogste rand. Kritiek punt voor waterdichtheid.
Nokvorst / nokpan: de gebogen pan die over de noklijn ligt om hem af te dekken. Verzamelnaam voor de pan en de bevestiging (mortel of schroeven) samen. Lees ook nokvorsten en nokpannen.
Hoekkeper: de schuine lijn waar twee dakvlakken een buitenhoek vormen. Loopt schuin omlaag van de nok naar de dakrand. Vraagt om hoekkepervorsten.
Kilkeper: het tegenovergestelde van een hoekkeper, een binnenhoek tussen twee dakvlakken (bijvoorbeeld bij een dakkapel). Hier loopt water samen, kritisch op afdichting.
Materialen voor de dakbedekking
Pan: de individuele bouwsteen van een schuin dak. Keramiek (klei, gebakken), beton (zwaarder, goedkoper), kunststof (modern, lichter) of leien (natuursteen, vaak monument). Keramische pannen gaan vaak vijftig jaar of langer mee.
Bitumen: zwarte dakbedekking op rol voor platte daken, gemaakt van bitumen uit aardolie. APP en SBS zijn de twee gangbare soorten (verschil in soepelheid). Gaat 25 tot 30 jaar mee bij goed onderhoud.
EPDM: synthetisch rubber, vaak in één stuk over het dak. Gaat bij goed leggen lang mee. De banen worden verlijmd en de naden koud gelast met speciale lijm of tape.
TPO en PVC: kunststof dakbanen, vaak op grotere daken. De naden worden met hete lucht aan elkaar gelast.
Constructie en onderlaag
Gording: de horizontale balk die dwars over de spanten loopt, evenwijdig aan de nok. Op de gordingen rusten de sporen of het dakbeschot.
Spant: de driehoekige hoofdconstructie die het dak draagt. Op de spanten liggen de gordingen.
Panlat: de horizontale lat waar de dakpannen op haken. Loopt evenwijdig aan de goot. Zonder panlat geen dak.
Tengels: de verticale latten onder de panlatten. Ze zorgen voor ventilatie tussen pan en onderlaag, zodat het hout droog blijft.
Aansluitingen en details
Slabbe: een dunne strook lood die om aansluitingen ligt (rond schoorsteen, tegen gevel, langs dakrand). Voorkomt waterlekkage bij overgangen. Bij oudere daken vaak de eerste plek waar het lekt.
Loodvoeg: de naad waar lood wordt ingelegd in metsel- of voegwerk. Specialistisch werk: slordig gedaan geeft binnen een paar jaar lekkage.
Voegwerk: de mortel tussen bakstenen of stenen. Op schoorstenen kritisch: verweerd voegwerk laat water binnen.
Termen rond de schoorsteen
Schoorsteen: het gemetselde of betonnen kanaal door het dak. Ooit voor open haard of kachel, nu vaak niet meer in gebruik.
Rookkanaal: de binnenste pijp waar de rookgassen door gaan. Vaak meerdere kanalen in één schoorsteen.
Voering: een binnenbuis (rvs of keramiek) in het rookkanaal die corrosie en lekkage voorkomt. Nodig als een moderne cv-ketel via de oude schoorsteen afvoert.
Regenkap of schoorsteenkap: de bovenste afdekking van de schoorsteen. Voorkomt regen in het rookkanaal én vogels.
Lees ook: dak onderhoud jaarschema · dakbedekking materialen · dakgoot

